Hij probeert de toets te slagen.
ik
Ik slaag altijd voor mijn toetsen.
jij / je, u
Jij slaagt vast met je hard werken.
hij, zij / ze, het
Zij slaagt binnenkort voor haar examen.
wij / we, jullie
Wij slagen samen voor dit project.
Ik slaagde vorig jaar voor mijn diploma.
Jij slaagde voor de uitbraak van de brand.
Hij slaagde niet in zijn poging.
Wij slaagden samen in onze zoektocht.
Zij is geslaagd voor het examen.
Zij is slagend in het project.
De slagende leerlingen hebben de toets goed gemaakt.
jij / je
Slaag hiervoor, het is belangrijk!
u
Slaagt u hierin, dan is het goed.
Moge hij slage in zijn streven.