Snorren
VerbInfinitief
Ik houd ervan om te snorren.
Tegenwoordig deelwoord
De kat ligt snorrend op de bank.
Ik hoorde een snorrende motor aankomen.
Tegenwoordige tijd
ik
Ik snor graag met de motor.
jij / je, u
Jij snort als je slaapt.
hij, zij / ze, het
Hij snort soms als hij zich ontspant.
wij / we, jullie
Wij snorren samen in de auto.
Verleden tijd
ik
Ik snorde vorige week te hard.
jij / je, u
Jij snorde gisteravond tijdens de film.
hij, zij / ze, het
Zij snorden vrolijk toen zij naar de muziek luisterden.
wij / we, jullie
Wij snorden samen toen we aan het kamperen waren.
Voltooid deelwoord
Hij heeft al gesnord voor het slapen.
Aanvoegende wijs
Moge de motor snorre als een kat.
Gebiedende wijs
Snor met die motor!