Ik wil leren sporen met een trein.
De trein is sporend naar Amsterdam.
Het sporende geluid van de trein is herkenbaar.
De trein is al gespoord voor de reis begint.
ik
Ik spoor de trein naar het station.
jij / je
Jij spoort altijd goed naar huis.
u
U spoort de juiste richting aan.
hij, zij / ze, het
Hij spoort de trein naar de juiste lijn.
wij / we
Wij sporen samen met de trein.
jullie
Jullie sporen goed met de trein.
Ik spoorde de trein naar het station.
Jij spoorde altijd snel naar huis.
Hij spoorde de trein al eerder.
Wij spoorden samen met de trein gisteren.
Jullie spoorden goed naar het station.
Spoor de trein naar binnen.
Spoort u de trein graag naar binnen.
Ik hoop dat ik spore naar Istanbul.