Stelen
VerbInfinitief
Om iets te stelen is niet eerlijk.
Tegenwoordig deelwoord
Hij is stelend door de winkel gegaan.
De stelende inbreker werd snel gepakt.
Tegenwoordige tijd
ik
Ik steel nooit iets.
jij / je
Jij steelt geen geld, toch?
u
U steelt altijd iets, zelfs als het een snoepje is.
hij, zij / ze, het
Hij steelt af en toe een appel.
wij / we
Wij stelen nooit van anderen.
jullie
Jullie stelen niet, dat weet ik zeker.
Verleden tijd
ik
Ik stal vroeger vaak fruit uit de tuin.
jij / je
Jij stal een boek uit de bibliotheek.
u
U stal misschien nooit iets.
hij, zij / ze, het
Hij stal een auto, maar werd gepakt.
wij / we
Wij stalen samen, maar dat was niet goed.
jullie
Jullie stalen de show met jullie optreden.
Voltooid deelwoord
Het geld is gestolen uit de kluis.
Aanvoegende wijs
Hij verlangt dat je stelen mag.
Gebiedende wijs
Steel niets in deze winkel!
Steelt niet zulke dingen, dat is verkeerd!