(een stille kamer, het is stil buiten)
Het is heel stil in de bibliotheek.
De kinderen zijn al stil en slapen.
Wees even stil, de baby slaapt.
Het huis is 's nachts heel stil.
(stil staan, stil blijven zitten)
Blijf even stil staan voor de foto.
De auto stond stil bij het rode stoplicht.
De trein stond tien minuten stil op het station.
(een stil dorp, een stille straat)
Wij wonen in een stille straat zonder veel verkeer.
Het is vandaag stil op het werk.
In de zomer is het stil in de stad.
(een stille man, stil van karakter)
Mijn broer is altijd stil op feestjes.
Zij is een stil meisje, maar heel slim.
Hij was vroeger een stille jongen op school.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.