(iemand maakt een fout of zegt iets onhandigs)
Wat stom van mij dat ik de sleutels vergeten ben.
Hij voelde zich stom toen hij het verkeerde antwoord gaf.
Dat was echt een stomme vraag.
Ik heb nog nooit iets stommers gedaan in mijn leven.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(iets gaat niet zoals je wilde)
Die stomme trein is weer te laat.
Wat een stom idee om in de regen te gaan fietsen.
Ik heb geen zin in dat stomme feestje van haar.
Wat stom dat de winkel net dicht is!
(over oude films of een voorstelling zonder dialoog)
Charlie Chaplin speelde in veel stomme films.
Tijdens de stomme scène hoorde je alleen de muziek.
Mijn opa houdt van de stomme films uit de jaren twintig.
(iemand is sprakeloos of heeft een handicap)
Hij stond stom van verbazing in de deuropening.
De geschrokken jongen bleef stom naar het ongeluk staren.
Ze was stom van schrik toen ze het nieuws hoorde.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.