Ik wil geld storten op mijn rekening.
De stortende regen zorgde voor overstromingen.
De stortende massa was indrukwekkend.
ik
Ik stort vandaag een bedrag op mijn rekening.
jij / je, u
Jij stort morgen veel geld.
hij, zij / ze, het
Hij stort elke maand geld in zijn spaarpot.
wij / we, jullie
Wij storten samen onze bijdrage.
Ik stortte gisteren geld op mijn rekening.
Jij stortte vorige week ook geld.
Hij stortte veel in zijn goede doelen.
Wij stortten allemaal ons geld op het juiste moment.
Het geld is al gestort.
ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie
Ik hoop dat hij storte zoals beloofd.
Stort het geld snel over!