NEDERLANDS
🇬🇧

Straffen

VerbA2

Auxiliary verb

hebben

regelmatig werkwoord (zwak werkwoord)

Het werkwoord 'straffen' wordt vaak gebruikt in contexten van autoriteit, zoals ouders, leraren, rechters of werkgevers die sancties opleggen voor ongewenst gedrag.

Infinitief

Tegenwoordige tijd

  • ik

  • jij / je

  • u

  • hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie

  • zij / ze

Verleden tijd

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Voltooid deelwoord

Tegenwoordig deelwoord

Aanvoegende wijs

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze

Gebiedende wijs

  • jij / je, u, jullie

Examples

  • De leraar straft de leerling omdat hij spiekt tijdens de toets.

    tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Vorig jaar strafte de rechter de man met een gevangenisstraf.

    verleden tijd, aantonende wijs

  • Hij heeft zijn zoon gestraft door hem een week geen televisie te laten kijken.

    voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Straf de hond niet, hij wist niet dat het niet mocht.

    tegenwoordige tijd, gebiedende wijs

  • Het is belangrijk dat de overheid criminelen streng straffe.

    tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs

I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.