Ik wil de kat graag strelen.
De strelende hand van de moeder maakte het kind rustig.
De strelende woorden hielpen hem kalm te blijven.
ik, jij / je, hij, zij / ze, het
Hij streelde de hond zachtjes.
wij / we, jullie, zij / ze
Zij streelden de kat samen.
Hij heeft de hond gestreeld.
Het strelend gebaar was geruststellend.
Ik hoop dat hij jou strele.
Streel de kat voorzichtig!
Streelt het dier met liefde.