(na een reis, werk of bezoek weer thuiskomen)
Ik kom morgen terug uit Parijs.
Wanneer kom je terug van vakantie?
Ik kom vanavond laat terug.
Hij kwam na drie weken terug uit Spanje.
We zijn gisteren teruggekomen van onze reis.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(winkel, afspraak of plek opnieuw bezoeken)
De klant komt volgende week terug voor een nieuwe afspraak.
Kom je later nog even terug, dan kunnen we verder praten?
Kom je morgen terug om de sleutels op te halen?
(in een gesprek of vergadering een punt hernemen)
Ik kom straks nog terug op jouw vraag.
We komen hier in de volgende vergadering op terug.
Ik kom hier straks op terug.
(symptomen, problemen of herinneringen die weer opduiken)
De hoofdpijn is weer teruggekomen.
Datzelfde thema komt elk jaar terug in zijn boeken.
Die vraag komt elk examen weer terug.
(van mening veranderen over iets wat je eerder zei)
De minister komt terug op zijn eerdere uitspraak.
Daar kan ik nu niet meer op terugkomen.
Het bedrijf is teruggekomen op zijn eerdere besluit.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.