(praten over wat later zal gebeuren)
In de toekomst willen we een groter huis kopen.
Niemand weet precies wat de toekomst brengt.
De toekomst ziet er rooskleurig uit.
We moeten nu nadenken over wat we in de toekomst willen bereiken.
(spreken over iemands vooruitzichten of carrière)
Deze jonge voetballer heeft een grote toekomst voor zich.
Ze maakt zich zorgen over de toekomst van haar kinderen.
Met deze opleiding heb je een mooie toekomst voor je.
(discussie over voortbestaan van bedrijven of plannen)
De toekomst van het bedrijf is onzeker na het slechte jaar.
Duurzame energie heeft de toekomst.
Volgens de directeur heeft de fabriek geen toekomst meer in Nederland.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.