Toen
toen
Adverbop dat moment
- toen, op dat moment in het verledenHet was een mooie dag in het verleden.
- op het moment datDe trein vertrok gelijktijdig met de bus.
- aanwijzing naar een bepaalde tijdsperiodeDe tijd waarin we nu leven is uitdagend.
toen
Conjunctionwanneer ook weer
- in het verleden, op een bepaald momentIn het verleden woonde ik in Amsterdam.
- op het moment dat iets anders gebeurdeIk at een appel gelijktijdig met het kijken naar een film.
- gebruikt om volgorde aan te gevenDe volgorde van de stappen is belangrijk in dit recept.