NEDERLANDS
🇬🇧

Turnen

VerbA1

Auxiliary verb

hebben

regelmatig werkwoord

Het werkwoord 'turnen' verwijst specifiek naar gymnastische oefeningen of bewegingen, vaak in een sportieve of competitieve context.

Infinitief

Tegenwoordige tijd

  • ik

  • jij / je, u

  • hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Verleden tijd

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Voltooid deelwoord

Tegenwoordig deelwoord

Aanvoegende wijs

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze

Gebiedende wijs

  • jij / je, u, jullie

Examples

  • Ik turn elke week in de sportschool om fit te blijven.

    tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Toen ik klein was, turnde ik op school.

    verleden tijd, aantonende wijs

  • Zij heeft gisteren voor het eerst geturnd op de ringen.

    voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Turn jij ook mee in de wedstrijd?

    tegenwoordige tijd, vragende wijs

  • Hoewel hij turne, is hij nog niet klaar voor de competitie.

    tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs

I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.