(een exacte hoeveelheid van twaalf tellen of aangeven)
Er liggen twaalf appels in de schaal.
Ik heb twaalf euro in mijn portemonnee.
Ik heb twaalf boeken gekocht.
In de doos zitten twaalf eieren.
De klas bestaat uit twaalf leerlingen en één leraar.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(tijdstip aanduiden met de klok)
We eten om twaalf uur 's middags.
De trein vertrekt om kwart over twaalf.
Om twaalf uur is het pauze.
Het is vijf voor twaalf, we moeten opschieten.
(leeftijd van een kind of jongere beschrijven)
Mijn dochter wordt volgende week twaalf.
Kinderen van twaalf gaan vaak naar de middelbare school.
Toen ik twaalf was, kreeg ik mijn eerste fiets.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.