Auxiliary verb hebben
werkwoord
betekent het openen of ontdoen van verpakkingen
Infinitief Ik wil mijn cadeaus uitpakken.
Tegenwoordig deelwoord Mijn zus is uitpakkend uit haar reis.
De uitpakkende kinderen lachen van blijdschap.
Tegenwoordige tijd ik
Ik pak uit na de vakantie.
jij / je
u
hij
Hij pakt zijn spullen uit.
zij / ze
Zij pakt haar kleren uit.
het
Het kind pakt het speelgoed uit.
wij / we
Wij pakken de cadeaus uit.
jullie
Jullie pakken het pakket zo snel uit!
Verleden tijd ik
Ik pakte uit tijdens het feestje.
jij / je
u
U pakte het pakket uit, nietwaar?
hij
Hij pakte de verrassing uit.
zij / ze
Zij pakte haar koffer uit.
het
Het kind pakte alvast uit.
wij / we
Wij pakten met plezier uit na de reis.
jullie
zij / ze
Aanvoegende wijs Ik wil dat je pakke uit als je de kans hebt.
Dat zou fijn zijn, als jullie uitpakke wat we hebben gestuurd.
Voltooid deelwoord Hij heeft alles al uitgepakt.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.