(iemand die haastig vertrekt of wegrent)
Ik moet ervandoor, anders mis ik mijn trein.
De dief ging er met de buit vandoor.
Sorry, ik moet er nu vandoor.
De verdachte ging ervandoor toen de politie arriveerde.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(iets of iemand is plotseling verdwenen)
Toen ik thuiskwam was de hond ervandoor.
Hij is met de kassa ervandoor.
Mijn fiets is ervandoor, iemand heeft hem gestolen.
(iemand verlaat een partner voor een ander)
Ze is ervandoor met haar collega.
Hij ging er met de buurvrouw vandoor.
Na twintig jaar huwelijk ging ze er met een ander vandoor.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.