Ik wil vissen vangen in de rivier.
De jongeman is vangend aan de kust.
De vangende visser is zeer ervaren.
ik
Ik vang vaak een grote vis.
jij / je, u
Jij vangt altijd de beste vissen.
wij / we, zij / ze
Wij vangen vandaag veel vissen.
Vorig jaar ving ik een grote zalm.
Zij vingen meerdere vissen in de zee.
De vissen zijn gevangen door de visser.
Als ik een vis vange, ben ik blij.
Vang die bal!
Vangt u deze kans!