(ruzie of fysiek conflict)
De twee jongens vechten op het schoolplein om een bal.
Hij heeft gisteren met zijn broer gevochten over de afstandsbediening.
De honden vechten om een bot in de tuin.
Als kind vocht ik vaak met mijn zus om kleine dingen.
(strijd voor een doel of ideaal)
Zij vecht al jaren voor gelijke rechten op het werk.
We moeten vechten om onze baan te behouden.
De vakbond heeft jarenlang voor betere lonen gevochten.
(weerstand tegen ziekte of emoties)
Mijn opa vecht al maanden tegen een zware ziekte.
Ze vocht tegen haar tranen tijdens de begrafenis.
Je moet blijven vechten, ook als het zwaar wordt.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.