NEDERLANDS
🇬🇧

Verwilderen

VerbA2

Auxiliary verb

hebben

onovergankelijk werkwoord (geen lijdend voorwerp)

Het werkwoord 'verwilderen' beschrijft vaak een proces van verwaarlozing of het natuurlijk wild worden van planten, dieren of terreinen.

Infinitief

Tegenwoordige tijd

  • ik

  • jij / je, u, wij / we, jullie

  • hij, zij / ze, het

Verleden tijd

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het

  • wij / we, jullie, zij / ze

Voltooid deelwoord

Tegenwoordig deelwoord

Aanvoegende wijs

  • ik, jij / je, u, hij, zij / ze, het, wij / we, jullie, zij / ze

Gebiedende wijs

  • jij / je, u, jullie

Examples

  • De planten in de tuin verwilderen als je ze niet snoeit.

    tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Het park is verwilderd sinds de gemeente minder geld heeft.

    voltooid tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Als je de tuin laat verwilderen, wordt het een rommeltje.

    tegenwoordige tijd, aantonende wijs

  • Ik hoop dat de boel niet verwildert tijdens onze afwezigheid.

    tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs

I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.