(bij het tellen, rekenen of aanduiden van een hoeveelheid)
In de klas zitten vijftien leerlingen.
Ik heb vijftien euro in mijn portemonnee.
We zijn met vijftien mensen op vakantie gegaan.
Er stonden vijftien flessen wijn in de kelder.
De rekening bedraagt vijftien euro en vijftig cent.
Ik heb er gewoon vijftien nodig, meer niet.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(bij het aangeven van iemands leeftijd)
Mijn dochter wordt volgende week vijftien.
Hij is pas vijftien jaar oud.
Toen ik vijftien was, begon ik met gitaar spelen.
(bij het zeggen van de tijd of een duur)
De trein vertrekt om kwart over drie, dus over vijftien minuten.
Het duurt nog vijftien minuten voordat de film begint.
De vergadering begint over vijftien minuten.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.