Het is leuk om te vissen in de zomer.
De jongen is vissend aan het meer.
De vissende vrouw vangt veel vissen.
ik
Ik vis graag in mijn vrije tijd.
jij / je
Jij vist vaak met je vrienden.
u
U vist met een hengel in het meer.
hij
Hij vist elke zondag in de rivier.
zij / ze
Zij vist graag in de stadsgracht.
het
Het vist veel beter met het juiste aas.
wij / we
Wij vissen samen elke zaterdag.
jullie
Jullie vissen altijd in de zee.
Vissen is een populaire hobby.
Ik viste gister in het meer.
Jij viste met mij vorige week.
U viste gisteren in de zee.
Hij viste een grote vis vorige maand.
Zij viste met haar vader afgelopen zondag.
Het viste slechts kleine vissen in het riviertje.
Wij visten samen in de vijver.
Jullie visten met veel plezier.
Visten is een activiteit die veel mensen doen.
Ik heb veel gevist deze zomer.
Vis rustig en geduldig.
Als hij visse, zou hij de grootste vangen.