Ik wil leren voelen wat mijn lichaam me vertelt.
Voelend op je ademhaling kan je kalmte vinden.
De voelende persoon heeft meer inzicht in zijn emoties.
ik
Ik voel me vandaag erg gelukkig.
jij / je, u
Jij voelt de warmte van de zon.
hij, zij / ze, het
Hij voelt zich niet goed.
wij / we, jullie
Wij voelen de spanning in de lucht.
Gisteren voelde ik me verdrietig.
Jij voelde de liefde om je heen.
Zij voelde een sterke verbondenheid.
Wij voelden ons veilig in die omgeving.
Ik heb altijd veel liefde gevoeld.
Moge iedereen voele dat we samen sterk zijn.
Voel de energie om je heen!
Voelt alsjeblieft de liefde die ik je geef.