(aangeven dat iets klaar of gebeurd is)
De vakantie is alweer voorbij.
Gelukkig is de winter bijna voorbij.
De zomer is voorbij.
Die moeilijke periode is nu echt voorbij.
(beweging langs een plek of persoon)
De trein reed zonder te stoppen voorbij.
Ik zag haar vanochtend voorbij fietsen.
De auto reed voorbij zonder te stoppen.
Er kwam net een bekende voorbij gelopen.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.