Ze hebben besloten om met elkaar te vrijen.
De koppels zijn vrijend in het park.
Iedereen ziet het vrijende paar in de verte.
ik
Ik vrij met mijn partner.
jij / je
Jij vrijt met hem.
u
U vrijt met uw geliefde.
hij
Hij vrijt met haar.
zij / ze
Zij vrijt met hem.
het
Het vrijt met iemand.
wij / we
Wij vrijen nu samen.
jullie
Jullie vrijen vaak in het bijzijn van anderen.
Ik vree met mijn geliefde afgelopen zomer.
Jij vree met hem vorige week.
U vree met uw partner tijdens de vakantie.
Hij vree met haar tijdens het feest.
Zij vree met hem in het verleden.
Het vree met iemand een tijdje geleden.
Wij vrijden eerder dit jaar.
Jullie vrijden vorig jaar.
Zij hebben gevreeën voor het huwelijk.
Ik ben altijd gevrijd met liefde.
Vrij met wie je wilt!
Moge je vrije momenten ervaren.