Ik wil altijd wensen dat ik gelukkig ben.
ik
Ik wens je veel geluk.
jij / je
Jij wens de beste resultaten.
u
U wenst vast een fijne dag.
hij
Hij wenst altijd het beste voor anderen.
zij / ze
Zij wenst dat iedereen gelukkig is.
het
Het wens dat je slaagt in je examen.
wij / we
Wij wensen je een fijne vakantie.
jullie
Jullie wensen veel succes met de presentatie.
Ik wenste dat ik rijk was.
Jij wenste een nieuwe fiets.
U wenste een fijnere wereld.
Hij wenste dat hij meer tijd had.
Zij wensten dat ze konden blijven.
Het wenste dat de regen zou stoppen.
Wij wensten dat het beter weer zou zijn.
Jullie wensten veel plezier tijdens het feest.
He is altijd gewenst op de feestjes.
Zij is wensend naar een beter leven.
De wensende kinderen spelen in het park.
Moge je alles krijgen wat je wense!
Wens voor de beste resultaten!