Ik heb het altijd geweten.
Wetend dat het moeilijk zou zijn, besloot hij het toch te doen.
Zij was een wetende vrouw in de gemeenschap.
ik
Ik weet het antwoord.
jij / je, u
Jij weet de weg naar huis.
hij, zij / ze, het
Hij weet het geheim.
wij / we, jullie
Wij weten veel over geschiedenis.
Ik wist dat hij kwam.
Jij wist het niet, toch?
Zij wist wat er aan de hand was.
Wij wisten het eerder.
Weet wat je doet!
Moge hij weten wat goed voor hem is.
Ik wil weten hoe het werkt.