Ik leer hoe ik moet wijken voor de verkeer.
ik
Ik wijk voor het verkeer.
jij / je, u
Jij wijkt voor de voetganger.
wij / we, jullie
Wij wijken naar links.
hij, zij / ze, het
Hij wijkt voor de obstakels.
Ik week van het pad.
jij / je
Jij weken van de uitdaging.
De wijkende auto veroorzaakte een chaos.
De wijkende auto was slecht zichtbaar.
Zij is voor haar vrienden geweken.
Wijk uit de weg!
Wijkt voor de ambulance!
Als hij maar wijke voor de ander.