Ik wil graag wijken van mijn planning.
ik
Ik wijk af van het onderwerp.
jij / je
Jij wijkt vaak van de waarheid af.
u
U wijkt van uw plan af.
hij, zij / ze, het
Hij wijkt nooit van zijn principes.
wij / we
Wij wijken niet van onze koers.
jullie
Jullie wijken af in jullie benadering.
Ik week af toen ik hem sprak.
Jij weken niet zo vaak af in het verleden.
U weken niet van de afspraak.
Hij week af van de groep.
Wij weken van onze route af.
Jullie weken niet van de waarheid af.
Wijkend van de norm, vond ik mijn eigen weg.
De wijkende beweging werd opgemerkt door de bevolking.
Zij is geweken van haar oorspronkelijke plan.
Wijk nu naar de andere kant!
Jullie wijkt niet van de opdracht af.
Ik hoop dat hij wijke van zijn fout.