Ik wil graag leren wijzen op belangrijke dingen.
Hij is wijzend naar de sterren in de lucht.
De wijzende vingers maken het duidelijk.
ik
Ik wijs altijd de juiste weg.
jij / je, u
Jij wijst naar de juiste oplossing.
hij, zij / ze, het
Zij wijst het verkeerde pad aan.
wij / we, jullie
Wij wijzen samen naar het doel.
Ik wees hem de weg naar huis.
Jullie wezen ons de juiste richting.
Hij wees naar de lucht.
Hij heeft naar de sterren gewezen.
Wijs de deur aan als je het begrijpt.
Wijst de weg naar het museum alstublieft.
Ik hoop dat ik het juiste pad wijze.