(iets zelf doen)
Hij heeft het huis zelf gebouwd.
Zij wil het zelf proberen voordat ze hulp vraagt.
Maak je dat recept zelf of koop je het kant-en-klaar?
Ik doe mijn belastingaangifte elk jaar zelf.
Heeft hij die foto echt zelf gemaakt?
Als kind moest ik mijn bed elke ochtend zelf opmaken.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(nadrukkelijk verwijzen naar wie of wat bedoeld wordt)
De koning zelf opende de tentoonstelling.
Het boek zelf is interessanter dan de samenvatting.
De directeur zelf kwam zijn excuses aanbieden.
De schrijver zelf las een hoofdstuk voor.
Niemand minder dan de burgemeester zelf kwam langs.
(het zelf als concept in psychologie of filosofie)
Zij is net zo slim als haar zus zelf.
Hij voelt zich nu zelf als een vis in het water.
In de therapie leerde hij zijn zelf beter kennen.
Het zelf is een centraal begrip in de psychologie.
In de filosofie gaat het vaak over de grenzen van het zelf.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.