Verb

Auxiliary Verb

hebben

werkwoord

Betekent om iets te plaatsen of in een bepaalde positie te brengen.

Infinitief

Tegenwoordig deelwoord

Voltooid deelwoord

Tegenwoordige tijd

  • ik

  • jij / je

  • u

  • hij

  • zij / ze

  • het

  • wij / we

  • jullie

Verleden tijd

  • ik

  • jij / je

  • u

  • hij

  • zij / ze

  • het

  • wij / we

  • jullie

Aanvoegende wijs

Gebiedende wijs

Examples

  • Ik wil de stoel daar zetten.

    infinitief, indicative

  • Ze is het document zettend in het systeem.

    tegenwoordige deelwoord, indicative

  • Hij heeft de lamp al gezet.

    voltooid deelwoord, indicative

  • Ik zet de tafel voor het diner.

    tegenwoordige tijd, indicative

  • Ik zette de stoel terug in de kamer.

    verleden tijd, indicative