(een handeling die op het onderwerp zelf gericht is)
Zij bekijkt zichzelf in de spiegel.
De kinderen kunnen zichzelf al aankleden.
De kat bekijkt zichzelf in het raam.
Hij heeft zichzelf gisteren verrast met een nieuw recept.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(praten over iemands karakter of identiteit)
Hij is de laatste tijd zichzelf niet meer.
Een goede leraar blijft altijd zichzelf in de klas.
Sinds de verhuizing is ze zichzelf niet meer.
(iets spontaan en zonder aansporing doen)
Hij bood uit zichzelf aan te helpen.
Het kind ruimde uit zichzelf zijn kamer op.
De directeur nam uit zichzelf ontslag na het schandaal.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.