Ik wil graag zijn zoals ik ben.
ik
Ik ben blij met mijn nieuwe fiets.
jij / je
Jij bent mijn beste vriend.
u
U is de beste leraar.
hij
Hij is een goede student.
zij / ze
Zij is erg getalenteerd.
het
Het is koud vandaag.
wij / we
Wij zijn hier voor de vergadering.
jullie
Jullie zijn de beste vrienden die ik heb.
Ik was gisteren op het feest.
Jij was altijd zo vrolijk.
U was een jaar geleden in Nederland.
Hij was ziek, maar nu is hij beter.
Zij was de eerste die aankwam.
Het was een lange dag.
Wij waren op vakantie in Spanje.
Jullie waren zo enthousiast.
Zij waren al eerder gearriveerd.
Ik ben ooit in Parijs geweest.
Zijnd aan de regels is belangrijk.
Zijnde stil is soms het beste.
Wees voorzichtig bij het oversteken.
Weest stil tijdens de film.
Moge de vakantie aangenaam weze.
Laat het zo zijn.
Als ik maar ware wijsheid had.