Ik wil leren zoemen.
De bijen zijn zoemend aan het werk in de tuin.
De zoemende bijen zijn een teken van zomer.
ik
Ik zoem altijd als ik blij ben.
jij / je, u
Jij zoemt altijd als je in de zon zit.
hij, zij / ze, het
Zij zoemt als ze gelukkig is.
wij / we, jullie
Wij zoemen samen tijdens het feest.
Ik zoemde een vrolijk deuntje gisteren.
Jij zoemde ook tijdens het spel gisteren.
Hij zoemde een liedje in de tuin.
wij / we
Wij zoemden samen in de auto.
Ik heb al gezoemd in het park.
Laat me zoeme als ik dat wil.
Zoem harder!
Zoemt samen als adders.