Attributive forms
Als je 'zoet' vóór een zelfstandig naamwoord gebruikt, zeg je meestal 'zoete'. Bijvoorbeeld: 'een zoete appel' of 'de zoete smaak'. Als het zelfstandig naamwoord geen lidwoord heeft, kun je soms ook 'zoet' gebruiken, zoals in 'zoet water'.
- With definite article
- With indefinite article
- Without article
Predicative form
Na werkwoorden zoals 'zijn', 'worden' of 'blijven' gebruik je altijd 'zoet'. Bijvoorbeeld: 'De limonade is zoet' of 'Het snoepje wordt zoet in je mond'.
Comparative
Als je twee dingen met elkaar vergelijkt, gebruik je 'zoeter'. Bijvoorbeeld: 'Deze peer is zoeter dan die banaan'. Je kunt ook zeggen: 'Dit is zoeter dan dat'.
- Base form
- With "dan"
Superlative
Als iets het meest zoet is, gebruik je 'zoetst' of 'zoetste'. Na 'het' of 'het meest' gebruik je 'zoetst': 'Dit is het zoetst'. Voor een zelfstandig naamwoord gebruik je 'zoetste': 'Dit is de zoetste taart'.
- Attributive
- Predicative
Important notes
- usage:'Zoet' kan ook 'braaf' betekenen, bijvoorbeeld: 'Het kind is zoet.'
- spelling:In de overtreffende trap krijgt 'zoetst' soms een '-e' als het voor een zelfstandig naamwoord staat: 'de zoetste taart'.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.