(aardrijkskunde, kompas)
De zon staat om twaalf uur recht in het zuiden.
Op het kompas wijst de naald naar het zuiden.
De wind komt vandaag uit het zuiden.
Als je naar het zuiden kijkt, zie je de bergen liggen.
Welke zin inspireerde dit schilderij?
(plaatsaanduiding binnen een land of regio)
In het zuiden van Nederland wordt carnaval groot gevierd.
We gaan deze zomer op vakantie in het zuiden van Frankrijk.
Vroeger woonden mijn grootouders in het zuiden van het land.
We zijn vorige week naar het zuiden gereden om familie te bezoeken.
(bewegingsrichting, ligging)
De vogels vliegen in de herfst naar het zuiden.
Mijn tuin ligt op het zuiden, dus er is veel zon.
De trekvogels vertrekken elk jaar richting het zuiden.
Ons balkon ligt op het zuiden, dus we hebben de hele dag zon.
I built this dictionary to be the most complete Dutch learner's resource of its kind. Definitions and examples are generated, so you may spot the occasional mistake — trust your instincts.