NEDERLANDS
🇳🇱

    Aanhang

    B2uncommonZipf 2.9

    zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord

    • de aanhang

      Zelfstandig naamwoord/'anhɑŋ/

      enkelvoud

      aanhang

      meervoud

      aanhangen
    • aanhangen

      Werkwoord/'anhɑŋən; 'anhɑŋə/

      infinitief

      aanhangen

      tegenwoordige tijd

      hang aanaanhanghangt aanaanhangthangen aanaanhangen

      verleden tijd

      hing aanaanhinghingen aanaanhingen

      tegenwoordig deelwoord

      aanhangendaanhangende

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.