NEDERLANDS
🇳🇱
  • Aankleden
    Werkwoordkleren aandoen iemand of iets kleden

Aankleden

  • aankleden

    Werkwoord

    kleren aandoen; iemand of iets kleden; ook: versieren

    1. zich aankleden

      Kleren aantrekken bij jezelf. Je maakt jezelf klaar om naar buiten te gaan.

      Ik ga me aankleden voordat ik naar school ga.

    2. iemand aankleden

      Kleren aandoen bij een ander, bijvoorbeeld bij een baby of een ziek persoon.

      Ze moet de baby aankleden voordat ze naar de kinderwagen gaat.

    3. aankleden (versieren)

      Iets mooier of feestelijker maken, bijvoorbeeld een kamer of tafel versieren.

      We hebben het huis aangekleed voor het verjaardagsfeest.

    zich aankledeniemand aankledensnel aankledenaankleden voor (een feest)de baby aankleden

Blijf leren