NEDERLANDS
🇳🇱

    Aanvoeren

    B1commonZipf 3.2

    zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord; werkwoord

    • de aanvoer

      Zelfstandig naamwoord/'anvur/

      enkelvoud

      aanvoer

      meervoud

      aanvoeren
    • aanvaren

      Werkwoord/'anvarən; 'anvarə/

      infinitief

      aanvaren

      tegenwoordige tijd

      vaar aanaanvaarvaart aanaanvaartvaren aanaanvaren

      verleden tijd

      voer aanaanvoervoeren aanaanvoeren

      tegenwoordig deelwoord

      aanvarendaanvarende
    • aanvoeren

      Werkwoord/'anvurən; 'anvurə/

      infinitief

      aanvoeren

      tegenwoordige tijd

      voer aanaanvoervoert aanaanvoertvoeren aanaanvoeren

      verleden tijd

      voerde aanaanvoerdevoerden aanaanvoerden

      tegenwoordig deelwoord

      aanvoerendaanvoerende

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.