Afspelen
B1commonZipf 3.3
zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord
het afspel
Zelfstandig naamwoord/'ɑfspɛl//spellen-of-spelen
enkelvoud
afspelmeervoud
afspelenafspelen
Werkwoord/'ɑfspelən; 'ɑfspelə/infinitief
afspelentegenwoordige tijd
speel afafspeelspeelt afafspeeltspelen afafspelenverleden tijd
speelde afafspeeldespeelden afafspeeldentegenwoordig deelwoord
afspelendafspelende
Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.
Gratis. Geen wachtwoord.