NEDERLANDS
🇳🇱
  • Afvliegen
    Werkwoordwegvliegen vertrekken met een vliegtuig

Afvliegen

  • afvliegen

    Werkwoord

    wegvliegen / vertrekken met een vliegtuig

    1. vertrekken (per vliegtuig)

      Met een vliegtuig vertrekken naar een andere plaats, bijvoorbeeld voor een reis of vlucht.

      Het vliegtuig vliegt morgen om acht uur af.

    2. losraken en wegvliegen

      Losraken van iets (bijv. onderdeel of voorwerp) en door de wind of beweging wegvliegen.

      Door de harde wind vloog er een dakpan af.

    vliegt morgenochtend afvliegt af naarvliegt af vanis afgevlogen