NEDERLANDS
🇳🇱

    Audit

    uncommonZipf 2.2

    zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord

    • de audit

      Zelfstandig naamwoord/'ɔːdɪt/

      enkelvoud

      audit

      meervoud

      audits
    • auditen

      Werkwoord/'ɔːdɪtən; 'ɔːdɪtə/

      /geauditte-of-geaudite-bedrijf

      infinitief

      auditen

      tegenwoordige tijd

      auditauditen

      verleden tijd

      auditteauditten

      tegenwoordig deelwoord

      auditendauditende

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.

    Blijf leren