Bezige
bezig
Bijvoeglijk naamwoordactief bezig zijn
- actief met iets werken of doenDe activiteit duurt van negen tot vijf.
- druk zijn, geen tijd hebben om iets anders te doenHet is altijd druk in de stad.
- verstrikt of betrokken in ietsHij is verstrikt in een juridisch conflict.
bezigen
Werkwoordiets uitvoeren of gebruiken
- zich bezighouden met iets, gebruiken of toepassenIk gebruik mijn computer om informatie te zoeken.
- actief zijn in een bepaalde functie of rolMijn zus heeft een nieuwe functie als teamleider.