NEDERLANDS
🇳🇱

    Blinddoek

    A2commonZipf 3.2

    zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord

    • de blinddoek

      Zelfstandig naamwoord/'blɪnduk/

      enkelvoud

      blinddoekblinddoekje

      meervoud

      blinddoekenblinddoekjes
    • blinddoeken

      Werkwoord/'blɪndukən; 'blɪndukə/

      infinitief

      blinddoeken

      tegenwoordige tijd

      blinddoekblinddoektblinddoeken

      verleden tijd

      blinddoekteblinddoekten

      tegenwoordig deelwoord

      blinddoekendblinddoekende

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.

    Blijf leren