Bokkend
debok
Zelfstandig naamwoordmannelijk geitachtig dier
- mannelijk schaap of geit met hoornsDe bok loopt in de wei.
- houten of metalen steun voor gereedschap of constructiesDe bok staat in de schuur.
- fout of blunder, vooral in uitdrukkingenIk maakte een bok tijdens het koken en verbrandde de taart.
debok
Zelfstandig naamwoordgymtoestel voor sprongen
- mannelijk dier van geiten, schapen of antilopenDe bok eet gras in de wei.
- grote fout of blunder, vooral in uitdrukkingenHij maakte een enorme bok tijdens de presentatie.
bokken
Werkwoordweigeren verder gaan
- met de voorpoten omhoog springen en hard neerkomen, van paarden of ezelsHet paard bokt vaak tijdens het rijden.
- weigeren verder te gaan of mee te werken, van mensen of dierenHet paard bokte toen de ruiter probeerde op te stijgen.
- een fout maken of iets verkeerd doen, vooral in sport of spelHij bokt vaak tijdens het schaken.