Bol
bol
Bijvoeglijk naamwoordrond; bolvormig
rond
Rond of bolvormig, zoals een bal.
De bal is bol.
uitpuilend
Naar buiten gebogen of dik op één plaats; naar voren stekend.
De baby heeft een bolle buik.
bolle wangenbolle buikbolle ogenbolle lippendebol
Zelfstandig naamwoordrond voorwerp; bloembol; klein broodje (bolletje)
vorm
Een rond, bolvormig voorwerp of object.
Op de vensterbank ligt de glazen bol.
plant
De ondergrondse bol waaruit een plant of bloem (bijv. tulp) groeit.
De tulp groeide uit de bol die ik in het najaar plantte.
broodje
Informeel: een klein, rond broodje; vaak bolletje genoemd.
Ik koop op het station een bolletje kaas.
bloemboltulpenbolknoflookbolglazen bolbolletje kaasbollen
Werkwoord(doen) bol staan; rijden
rijden
Snel rijden of ergens naartoe gaan, vaak informeel gezegd over auto of fiets.
We bollen naar huis omdat het al laat is.
bol staan
Bol of uitstulpend staan; iets wordt rond of gaat uitsteken.
Zijn ogen bollen van verbazing.
hard bollennaar huis bollenogen bollenbollen
Werkwoorddoodhameren; van de zaadbollen ontdoen
castratie
Een dier van de zaadbollen ontdoen; de zaadballen verwijderen (vaak bij vee).
De boer liet de ram bollen om hem rustiger te maken.
doden
Iets of iemand doden door met harde slagen te slaan; doodhameren.
De dierenarts en de boer besloten de zieke koe te bollen omdat ze ondraaglijke pijn had.
een dier bollenlaten bollenram bollen