Botten
bot
Bijvoeglijk naamwoordniet scherp
- zonder scherpe rand of punt, niet scherpDe schaar is bot en knipt niet goed.
- onvriendelijk en direct, zonder rekening te houden met gevoelensDe ober was bot tegen de klanten.
hetbot
Zelfstandig naamwoordstuk been in lichaam
- hard deel van het skelet van mens of dierHet bot in mijn arm is gebroken.
- platvis die in zee leeft en gegeten wordtHet bot smaakt heerlijk met citroen.
debot
Zelfstandig naamwoordvissoort
- hard deel in het lichaam van mens of dier dat stevigheid geeftHet bot in mijn arm doet pijn na de val.
- platvis die in zee leeft en vaak gegeten wordtDe bot is een lekkere vis.
debot
Zelfstandig naamwoordplatvissoort
- hard deel in het lichaam van mens of dier dat stevigheid geeftHet bot in mijn arm doet pijn na de val.
- platvis die in zee leeft en vaak gegeten wordtDe bot ligt op het bord.
debot
Zelfstandig naamwoordscheepsterm
- platte zeevis die vaak gegeten wordtDe bot ligt op het bord.
debot
Zelfstandig naamwoordschaakstuk
- hard deel in het lichaam van mens of dierHet bot in mijn arm doet pijn na de val.
- platte vis die op de zeebodem leeftDe bot ligt op de zeebodem.
hetbot
Zelfstandig naamwoordstuk gereedschap
- hard deel in het lichaam van mens of dierHet bot in mijn arm doet pijn na de val.
debot
Zelfstandig naamwoordknoop in touw
- plat, breed vissoort die in zee en rivieren leeftDe bot is een lekkere vis.
botten
Werkwoorddoen bot worden
- met een boot of schip over water varenIk bot elke ochtend naar mijn werk.
- per ongeluk tegen iets aan varen of stotenDe boot botst tegen een rots.