NEDERLANDS
🇳🇱

    Brok

    B1commonZipf 3.2

    zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord

    • de/het brok

      Zelfstandig naamwoord/'brɔk/

      enkelvoud

      brokbrokje

      meervoud

      brokkenbrokjes
    • brokken

      Werkwoord/'brɔkən; 'brɔkə/

      infinitief

      brokken

      tegenwoordige tijd

      brokbroktbrokken

      verleden tijd

      broktebrokten

      tegenwoordig deelwoord

      brokkendbrokkende

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.