Brok
B1commonZipf 3.2
zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord
de/het brok
Zelfstandig naamwoord/'brɔk/enkelvoud
brokbrokjemeervoud
brokkenbrokjesbrokken
Werkwoord/'brɔkən; 'brɔkə/infinitief
brokkentegenwoordige tijd
brokbroktbrokkenverleden tijd
broktebroktentegenwoordig deelwoord
brokkendbrokkende
Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.
Gratis. Geen wachtwoord.