NEDERLANDS
🇳🇱

    Bulk

    uncommonZipf 2.2

    zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord

    • de bulk

      Zelfstandig naamwoord/'bʏlk/

      enkelvoud

      bulk
    • bulken

      Werkwoord/'bʏlkən; 'bʏlkə/

      infinitief

      bulken

      tegenwoordige tijd

      bulkbulktbulken

      verleden tijd

      bulktebulkten

      tegenwoordig deelwoord

      bulkendbulkende

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.

    Blijf leren