NEDERLANDS
🇳🇱

    Bult

    B1commonZipf 3.5

    zelfstandig naamwoord, enkelvoud; werkwoord

    • de bult

      Zelfstandig naamwoord/'bʏlt/

      enkelvoud

      bultbultje

      meervoud

      bultenbultjes
    • bulten

      Werkwoord/'bʏltən; 'bʏltə/

      infinitief

      bulten

      tegenwoordige tijd

      bultbulten

      verleden tijd

      bulttebultten

      tegenwoordig deelwoord

      bultendbultende

    Maak een gratis account om de volledige leerkaart voor dit woord te genereren.

    Gratis. Geen wachtwoord.